HIP-Pilot stimuleren biologische afbraak VOCl’s – vergelijking 2 substraten

HIP-Pilot stimuleren biologische afbraak VOCl’s – vergelijking 2 substraten

Beschrijving

Voor de start van de pilot was er op de locatie een beheersmaatregel in werking door middel van het onttrekken van grondwater via twee deepwellsB. Het onttrokken grondwater werd gezuiverd in een grondwaterzuiveringsinstallatie. Aanleiding om alternatieven voor de sanering te overwegen vormde de noodzakelijke vervanging van de grondwaterzuiveringsinstallatie. Bovendien zijn er in de loop van de jaren technieken ontwikkeld die een verontreiniging met vluchtige organische chloorkoolwaterstoffen (VOCls) effectiever kunnen saneren dan door middel van grondwateronttrekking en zuivering. Eén van deze technieken is de injectie van substraat waarbij de anaërobe afbraak van de VOClverontreiniging wordt gestimuleerd; ook in verontreinigingskerngebieden met hoge concentraties.

De saneringspilot die uitgevoerd is op de locatie in Amersfoort, bestaat uit het stimuleren van biologische afbraak van de aanwezige VOCls via het injecteren van een overdosis (shockload) elektronendonor (substraat). Hiervoor zijn twee typen substraat gebruikt; een goed wateroplosbaar snelwerkend substraat en een slecht wateroplosbaar, langduriger werkend substraat.

Onderzoeksdoel

De eerste doelstelling van de pilot is vast te stellen of de afbraakcondities op de locatie geoptimaliseerd kunnen worden voor volledige biologische afbraak van de aanwezige VOCls door de injectie van substraat. De tweede doelstelling is te bepalen welk type substraat het meest geschikt is om de biologische afbraak van de VOCls te stimuleren. De aanwezige grondwateronttrekking is gedurende de eerste weken na injectie ingeschakeld geweest ten behoeve van de derde doelstelling: te bekijken of de verspreiding van de substraten doormiddel van grondwateronttrekking bespoedigd kan worden en of een combinatie van substraatinjectie en actieve verspreiding door middel van grondwateronttrekking zinvol is. De resultaten van de pilot moeten inzicht geven of grondwateronttrekking beëindigd kan worden en overgegaan kan worden op een bioscherm om de verspreiding van de VOCls tegen te gaan.

Studiegebied

De locatie is gelegen op een industrieterrein, heeft een oppervlakte van circa 1,1 hectare en wordt gebruikt als bedrijfslocatie voor een chemische wasserij. Op circa 250 m noordelijk van de bedrijfslocatie bevindt zich de rivier De Eem.

De bodemopbouw wordt gekenmerkt door een matig fijn tot matig grof zandig pakket op een scheidende laag van matig zandige klei laag die begint op dieptes variërend van 9,5 tot 10,5 m-mv: de Eemformatie. In het traject van 6 tot 8 m –mv bevindt zich ter plaatse van alle boringen een zwak tot sterk zandige leemlaag met een dikte van 0,5 tot 1,3 m. Uit de boorstaten blijkt dat de opbouw ter plaatse van waar de substraten geïnjecteerd zijn erg homogeen is.

De uitgangssituatie van de verontreiniging voorafgaan de pilot was als volgt:

Het ondiepe grondwater op de verontreinigingslocatie is sterk verontreinigd met PCE, cis-DCE en VC. Verder zijn matige tot lichte verontreinigingen met TCE in het ondiepe grondwater aangetroffen. Het middeldiepe grondwater is sterk verontreinigd met cis-DCE en VC en licht verontreinigd met PCE en TCE. In het diepe grondwater zijn nog lichte verontreinigingen met VOCl (PCE, TCE, cis-DCE en VC) aangetroffen.

PCE wordt onder de natuurlijke condities op de locatie omgezet. De afbraak is echter onvolledig en lijkt te stagneren bij VC. De afbraak van VC naar etheen en ethaan vindt niet plaats.

Figuur: De saneringslocatie; figuur gebaseerd op Google Maps.

Methoden

Er zijn monitoringspeilbuizen geplaatst. Voorafgaande aan de injecties is de nulsituatie vastgesteld. Veldmetingen en laboratoriumanalyses zijn uitgevoerd voor de volgende parameters: O2, Eh, Ec en pH, Bromide, DOC, nitraat, nitriet, sulfaat, nutriënten, Dehalococcoides en VOCl, etheen en ethaan.

Na injectie zijn op negen tijdstippen grondwatermonsters genomen. Deze monsters zijn geanalyseerd op bovengenoemde parameters waarbij na 119 en 331 dagen na injectie het meest uitgebreide pakket aan parameters is geanalyseerd. De overige keren is volstaan met een beperkter pakket om de pilot te monitoren.

Resultaten

Op hoofdlijnen zijn er twee varianten met toepassing van nutrolase die technisch haalbaar en zinvol worden geacht.
Deze varianten zijn verder uitgewerkt.

Conclusies en aanbevelingen

Door de gunstige omstandigheden die worden gecreëerd voor reductieve dechlorering door de injectie van Nutrolase is het aan te bevelen te stoppen met de huidige beheersmaatregel en over te gaan op een saneringsvariant waarbij niet eeuwigdurend verontreinigd grondwater opgepompt hoeft te worden. Geadviseerd wordt om de toekomstige monitoring niet te beperken tot de verontreinigende
stoffen maar periodiek ook procesparameters mee te nemen, zoals in het onderhavige onderzoek zijn toegepast, om de voortgang van de sanering goed te kunnen blijven volgen.

Toegevoegde rapporten:
amersfoortpilothip

Gerelateerde technieken en cases
Gerelateerde cases: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,
2017-10-21T18:38:07+00:00